|
Inleiding Haar is samengesteld uit keratine (hoornstof), het eiwit waaruit ook de nagels en de buitenlaag van de huid bestaan. Haren groeien uit een soort zakjes onder de huid, die follikels genoemd worden. Deze bevatten de haarwortels. Kleine bloedvaatjes onderaan de follikels voeden de haren. De nabijgelegen talgklieren scheiden een mengeling van vetten (talg) af, die het haar glanzend en tot op zekere hoogte waterbestendig houden. Door afscheiding uit bepaalde zweetklieren wordt ook een kenmerkende geur verspreid. Structuur van een haar
Iedere haar bestaat uit drie lagen: de schacht: het gedeelte dat uit de huid te voorschijn komt; de cuticula: de buitenste beschermende laag, deze is dun en kleurloos; de cortex: de middelste laag, of cortex; deze is het dikste en maakt het haar krachtig, bepaalt de haarkleur en of het haar stijl of krullerig is. Haarkleur
Er zijn verschillende haarkleuren. - De haarkleur wordt bepaald door melanine in de pigmentcellen. Hoe meer pigmentkorreltjes er zijn, en hoe dichter deze op elkaar zitten, hoe donkerder het haar.
- Er zijn twee typen melanine. Eumelanine kleurt het haar bruin tot zwart, en pheomelanine, een ijzerrijk pigment, kleurt het blond tot rood.
- Of het haar grijs, lichtbruin, donkerbruin of zwart is, hangt af van het type en de hoeveelheid melanine en van de vraag hoe dicht het over het haar verspreid zit.
De haargroei
De haargroei wordt door verschillende factoren bepaald. - Onderaan de follikel zit de papil, die gevoed wordt door het bloed. Bloed zorgt voor de voeding die nodig is voor de productie van nieuw haar. De haargroei wordt - ook bij de vrouw - geregeld door mannelijke hormonen (androgenen).
- Op ieder willekeurig moment is ongeveer 90 procent van de haren op de hoofdhuid aan het groeien. Deze groeifase duurt tussen de twee en zes jaar. De resterende 10 procent van het haar bevindt zich in een rustfase, die een aantal maanden duurt. Aan het eind van deze fase valt de haar uit. Als een haar uitvalt, wordt deze vervangen door een nieuwe haar uit dezelfde follikel en wordt de groeicyclus hervat.
- Haar groeit het snelst in de zomer en het langzaamst in de winter. De groei versnelt onder invloed van warmte en wrijving en vertraagt bij blootstelling aan kou. Haar groeit het best bij mensen tussen de vijftien en dertig jaar oud. Ergens tussen de veertig en vijftig jaar begint de haargroei af te nemen.
Functies van het haar
- Haarvezels beschermen de opperhuid tegen lichte slijtage en/of tegen ultraviolet licht.
- Het haar van wenkbrauwen en wimpers beschermt de ogen door vloeistoffen, stof en vuiltjes weg te houden.
- Neushaar speelt een belangrijke rol bij het tegenhouden van vreemde deeltjes die via de lucht het lichaam binnenkomen, en zorgt ervoor dat deze niet de longen bereiken.
- Haarvezels hebben ook een functie bij de temperatuurregeling, doordat zij de oppervlakte van de huid vergroten, zodat zweet sneller kan verdampen. Haar fungeert eveneens isolerend doordat het warmte buiten houdt en de temperatuur regelt.
- Bepaalde haarfollikels zijn omgeven door een hoog ontwikkeld zenuwnetwerk en bieden zintuiglijke, tactiele informatie over de omgeving.
De biologische betekenis van haar is voor de mens in de loop van de evolutie afgenomen, maar nog altijd aanwezig. Het belangrijkst zijn tegenwoordig echter de secundaire, cosmetische aspecten. Door zijn kapsel kan iemand uitdrukking geven aan zijn persoonlijkheid, aangeven dat hij tot een bepaalde sociale groep behoort en aantrekkingskracht uitoefenen op een partner. Er is een enorme commerciële industrie die zich richt op het presenteren, vermeerderen en behouden van hoofdhaar en op het verwijderen van ongewenst lichaamshaar.
|